Ga direct naar de hoofdinhoud

Aanleiding tweede wereldoorlog..

 

Verdrag van Versailles (1919)

 

De eerste wereldoorlog werd beeindigd met het Verdrag van Versailles, dat tussen Duitsland en de Entente getekend was. Dit 'vernederingsverdrag' werd uiteindelijk de oorzaak van de tweede wereldoorlog.

 

Foto: Schilderij van William Orpen, signing of peace Verdrag van Versailles

 

Globaal betekende dat verdrag dat Duitsland alle kolonien, een paar gebieden binnen Duitsland en hun koopvaardijvloot moesten inleveren aan de Entente, ook moest Duitsland betalen voor herstel. Dat was niet alles, de Franse regering had Duitsland zoveel mogelijk willen verzwakken, bijvoorbeeld door het op te delen, maar president Wilson vond dat strijdig met het zelfbeschikkingsrecht der volkeren en de Britten wilden Frankrijk niet te sterk maken ten opzichte van Duitsland.

 

Foto: President Wilson

De totale bedrag van herstelbetalingen werd bepaald in 1920 door oa het conferentie van Boulogne en het bedroeg 269 miljard goudmark, te betalen in 42 jaar. Duitsland kon en wilde dit niet betalen, als reactie hierop bezette Frankrijk en Belgie in 1923 de economisch motor van Duitsland, het Ruhrgebied! In 1924 werd het verdrag van Versailles herschikt tot de Dawesplan.

Dawesplan (1924)

Om gelijktijdig de gespannen situatie te verlichten en de kansen tot herstelbetalingen van Duitsland te vergroten werd aan Charles G. Dawes gevraagd een plan op te stellen waarin beide partijen zich konden vinden. Het Dawes comité bestond uit ieder twee vertegenwoordigers van België, Frankrijk, Engeland, Italië en de Verenigde Staten en had als opdracht gekregen een oplossing te vinden die Duitsland er toe zou bewegen over te gaan tot herstelbetalingen ter waarde van 132 miljard goudmark. De hoofdpunten van het Dawesplan waren:

1. Geallieerde troepen moesten het Ruhrgebied verlaten.
2. Herstelbetaling zou aanvangen met een bedrag van 1 miljard in het 1e jaar en daarna oplopen tot 2,5 miljard per jaar in het 4e jaar.
3. De Duitse Centrale Bank zou worden gereorganiseerd onder geallieerd toezicht.
4. Buitenlandse leningen aan Duitsland (voornamelijk afkomstig uit de Verenigde Staten) zouden mogelijk worden.
5. Duitsland zou de herstelbetalingen financieren uit de opbrengsten van een aantal nieuwe belastingen.

Het plan werd geaccepteerd door de Duitsers en de geallieerden en trad in werking in september 1924. Hoewel het Duitse zakenleven het plan oppakte en spoedig tot herstelbetalingen overging bleek al snel dat Duitsland de enorme jaarlijkse betaling niet kon volhouden. Duitsland staakte uiteindelijk na 5 jaar de herstelbetalingen wegens grote negatieve gevolgen voor de nationale economie en geldontwaarding. Als gevolg hiervan werd het Young-plan in 1929 van kracht.

Young-plan (1929)

In 1929 is met het Young-plan de duur van de herstelbetalingen op 59 jaar (dus tot 1988) vastgelegd. In totaal zou Duitsland volgens dit plan 114 miljard ‘Goudmark’ betalen. De rechtse partijen probeerden het Young-plan door een referendum af te wijzen. Dit hielp Adolf Hitler in de politiek terug te keren. Hier ga ik later op in..

 

Herstelbetalingen

Al in het verdrag van Versailles was vastgelegd dat Duitsland tot april 1921 twintig miljard ‘Goudmark’ moest betalen, een bedrag dat overeenkomt met meer dan 7 miljoen kilogram goud. Ook zou het grootste deel van de koopvaardijvloot overgedragen worden. Het verlies van de handelsvloot bracht een behoorlijke vermindering van de exporteconomie met zich mee – wat een belangrijke basis voor de economische kracht was. In april 1920 constateerde de hoogste geallieerde raad dat Duitsland een achterstand bij zijn kolenleveranties had. In juni 1920 eisten de geallieerden op de conferentie van Boulogne 296 miljard ‘Goudmark’ in 42 jaartermijnen.

 

In 1920 vonden een aantal conferenties plaats: in april in (San Remo, in juli in Hythe en Boulogne-sur-Mer waar ook de herstelbetalingen besproken zijn. Bij de Conferentie van Spa in juli 1920 mochten voor het eerst vertegenwoordigers uit Duitsland deelnemen. Hier werd een verdeelsleutel vastgelegd, om duidelijkheid te krijgen welke aandelen de verschillende landen van de herstelbetalingen zouden krijgen. Daarna zouden Frankrijk 52%, Engeland 22%, Italië 10% en België 8% krijgen. De geallieerden dreigden verder met een bezetting van het Ruhrgebied om hun eisen kracht bij te zetten. In december ontmoetten deskundigen elkaar in Brussel voor een discussie over de betalingen.

 

In 1921 eisten de winnaars ook de twee nieuwe DELAG zeppelins 'LZ120' en 'LZ 121' op. Deels vanwege een uitdrukkelijke verbod van de geallieerden kwam de Duitse luchtschipvaart voor een tijd tot stilstand. Pas in 1924 kon Duitsland weer een luchtschip aan de Verenigde Staten leveren – eveneens als herstelbetaling.

 

Op 29 januari 1921 eisten de geallieerden in Parijs 269 miljard 'Goudmark' in 42 jaartermijnen, daarvan 226 miljard als niet veranderbare hoofdsom. Ook moest Duitsland 12% van de waarde van zijn jaarlijkse exporten afstaan. De Rijksdag wees deze vorderingen af. Nadat ze in London een voorstel van Duitsland van 50 miljard hadden afgewezen bezetten de geallieerden op 8 maart Ruhrort, Duisburg en Düsseldorf.

 

Het kwam tot een zware regeringscrisis en op 4 mei aanvaardde de regering Fehrenbach de consequenties en trad af, omdat de DVP de verantwoording voor de herstelbetalingen niet wilde dragen. Deze crisis werd door de KPD voor een machtsgreep gebruikt. Zij organiseerde arbeidersopstanden in Hamburg en centraal Duitsland, die door de politie neergeslagen werden. Formaties van Poolse vrijwilligers rukten op 2 mei 1921, zonder weerstand van de Franse bezetters, Opper-Silezië binnen. Het Vrijkorps kon hen terugslaan, maar het gebied moest afgedragen worden, ook al wilde volgens een plebisciet 60% van de bevolking bij Duitsland blijven.

 

Lloyd George overhandigde op 5 mei 1921 de Duitse ambassadeur in Londen de nieuwe claims van de gealliëerden ter waarde van 132 miljard ‘Goudmark’ – wat overkomt met circa 47.000 ton goud. Ook moest Duitsland 26% van de waarde van export aan de geallieerden afstaan. Deze vorderingen werden begeleid door het ‘Londense Ultimatum’ van de geallieerden. Dit hield in dat bij weigering van deze vorderingen het Ruhrgebied binnen zes dagen volledig zou worden bezet. Verder eisten de geallieerden demilitarisatie en de uitlevering van oorlogsmisdadigers.

 

De regering onder ‘Reichskanzler’ Joseph Wirth moest de vorderingen een dag na haar aantreden op 11 mei accepteren. Deze zogenoemde “Erfüllungspolitik” werd hevig door de rechtse partijen bekritiseerd. Matthias Erzberger zette zich als minister van financiën in voor het nakomen van de verplichtingen voerde hiertoe een hervorming van financiën in. Deze leidde tot een vermindering van het federalisme en een toename van de unitarisatie in Duitsland. Erzberger werd in 1921 door leden van de ’Organisation Consul’ als “Erfüllungspolitiker” vermoord. In 1922 werd minister van buitenlandse zaken Walther Rathenau door dezelfde organisatie vermoord.

 

De Verenigde Staten ratificeerden het verdrag van Versailles niet en eisten geen herstelbetalingen.